 e
geologische gesteldheid van de Heerhugowaard wijkt af van die van de overige
droogmakingen in Noord-Holland. Hier is geen sprake van inklinkende
veenpakketten maar is door invloed van de getijdenstromingen veel klei en
zand (pikklei) afgezet. In 1248 vond een stormvloed plaats, die in het
noord-westen door de Westfriese Omringdijk brak en van de
Heerhugowaard een merengebied maakte. Het ontstane landschap week sterk af
van de andere Noord-Hollandse meren; er ontstond een gebied van moerassen,
rietlanden en volop in gebruik zijnde eilandjes. Bij de bedijking is veel
van dat land binnengedijkt zoals uit het hieronder afgebeeld kaartje blijkt
(met het Noorden links, zie kompasroos).
|
Het octrooi werd 4 april 1625 verleend aan Floris van Teylingen en Nanning
van Foreest, beiden bestuurders van Alkmaar. De droogmaking was een puur
particuliere en zakelijke aangelegenheid en het verkrijgen van het octrooi
was geen gemakkelijke zaak. De tegenwerking van Hoorn bij alle Alkmaarse
initiatieven is bij meerdere ondernemingen spreekwoordelijk geworden,
hetgeen omgekeerd in dezelfde mate gold. Maar het kanaal van de nieuwe
ringvaart naar Hoorn dat deze stad wilde kwam er toch niet! De voor het
waterverkeer naar Hoorn belangrijke sluis bij Rustenburg werd zelfs willens
en wetens onder de maat gehouden. Wel werden de bedijkers verplicht een
kostbare sluis te bouwen in de Nieuwendam aan het Wijkermeer. Dit was
opgelegd door Uitwaterende Sluizen, die verantwoordelijk werden voor de
afvoer van het uitgepompte water. Ook moest er overeenstemming komen met de
gebruikers van het vele binnengedijkte land, de zogenaamde 'druiplanden'.
Het grootste gebied hierbij was Oterleek, een der laatste stukken redelijk
beveiligd land aan de Huigendijk, de natuurlijke bescherming tegen het
watergevaar vanuit het zuiden, de Schermeer.
Vele kleine zaken werden tijdens het werk nog geregeld, dijken werden
verlegd (bij Langereis) en Veenhuizen werd nog in 1632 alsnog 'buitengedijkt'
terwijl de ringsloot er al omheen gegraven was.
|
Hier
een kaart van 1881 met de bijzondere situatie voor de Heerhugowaard
geillustreerd. De HHWaard ligt binnen de Westfriese Omringdijk en valt
binnen de Raaksmaatsboezem (geel). Die loosde zijn water naar het noorden,
langs de Zijpe, maar door dichtslibben vanaf de 13e/14e eeuw ging dat over op de
Schermerboezem (groen). Dat leverde een eeuwenlange strijd op met de graven
van Holland, die zelf al genoeg problemen hadden de boel droog te houden. De
Habsburgse landheren (Karel V en daarna Filips II) grepen in en
sinds 1544 is de afwatering geregeld. Deze ingreep betekende de start van de
beide Heemraadschappen die nu nog bestaan.
|
Het was een moeilijke start en de teleurstellingen waren groot in de
beginperiode, zeker voor de geldschieters. Er was al wel veel geleerd van
eerdere droogmakingen maar de problemen met de Heerhugowaard waren toch weer
van een heel andere aard, zodat er ook nu weer veel 'met vallen en opstaan'
opgelost moest worden. De bodem bleek bovendien niet erg vruchtbaar wat de
exploitatie erg moeilijk en nauwelijks winstgevend maakte.
Rechts de strijkmolens van de Raaksmaatsboezem, even boven Oudorp, in 1930.
|
Nadat
de polder in 1631 droog viel moest die ook droog gehouden worden. Daartoe
stonden er bijvoorbeeld in 1635 47 molens in totaal, waarvan er in 1910 nog
maar 11 over waren. In 1874 begint de bouw van het eerste stoomgemaal (aan
de Oostertocht, in werking 1877, 120 pk, 150m3 p/min). De eerder genoemde 11 molens bleven stand-by tot in de 30-er jaren van de 20e eeuw en
werden pas echt overbodig door de uitvoering van het Westfriese kanalenplan.
Van de 11 actieve poldermolens zijn er nu nog 7 over. Een mooi plaatje
leveren de drie van Rustenburg op (rechts). Deze zgn. strijkmolens bemaalden vroeger
de Raaksmaatsboezem en sloegen dat water uit op de Schermerboezem (zie ook
tekst in kader hierboven).
|
Zo
zag de - toen nog onverharde - Rustenburgerweg er honderd jaar geleden uit.
Hier de kruising met de Jan Glijnisweg. Op de achtergrond de R.K. lagere school.
De Middenweg is in 1866 al bestraat.
|
Hoe zit dat nou met Heer Hugo?
De Grote Waard of Zuiderwaard heette na de drooglegging Huigenwaard naar de
strook land die het meer in het zuiden scheidde van de Schermeer, de
Huigendijk zoals die nu nog heet. In het octrooi is echter al sprake van de
Heer-Huyge-Waert in navolging van de vermelding in een bevelboek uit 1402
van het Hof van Holland waarin sprake is van de Heer Hugendijk. Huigen is in
die tijd een niet ongebruikelijke voornaam en dat een plaatselijke
"Heer" zijn (voor)naam een die dijk verbonden zag is ook niet
ondenkbaar. Vlakbij vindt u ook de Walingsdijk, Lambertschaag, Dirk
Tamissloot, Sybekarspel, Dirkshorn.... Dat deze Heer Hugo de baljuw van het
Hoogwouder of Oterleker ambacht, Huig van Assendelft zou zijn is speculatie,
net als alle andere Noord-Hollandse Hugo's die de revue passeerden in de
loop der eeuwen.
Pas in de Franse tijd kwam het Heerhugowaard algemeen in gebruik en zo heet
ook de na 1960 explosief groeiende gemeente in de polder.
|
Meer weten?
De Heerhugowaard, J.J.Schilstra, Stichting 'Den Huygen Dyck' 1981, ISBN
90-70353-02-4
|